Incassobureau Intrum Justitia onderuit bij rechter: flodderwerk

Ondernemingen die beroepsmatig veel procederen, zoals incassobureaus, deurwaarders en advocaten, behoren de zaak goed voorbereid aan de rechter voor te leggen. Flodderwerk wordt niet gewaardeerd, zo blijkt uit een recente uitspraak tegen het grote incassobureau Intrum Justitia.

Het incassobureau kreeg het er flink van langs:

Omdat Intrum een als professioneel te beschouwen procespartij is en zichzelf ook als ‘repeatplayer’ pleegt te presenteren, mag van haar – zeker in betrekkelijk eenvoudige en van beperkt financieel belang zijnde kwesties als de onderhavige – verlangd en verwacht worden dat in een inleidend processtuk voldaan wordt aan alle eisen van behoorlijke procesvoering. (…)

In wezen op geen enkel voor de vordering van Intrum bepalend onderdeel (de beweerde oorspronkelijke overeenkomst – naar ontstaan, inhoud, omstandigheden en uitvoering -, de beweerde cessie – idem – en de contacten met de vermeende debiteur) heeft Intrum concrete feiten aangevoerd, de wel gedane beweringen van onderliggende relevante documentatie voorzien en voor hetgeen gevorderd wordt, gespecificeerde bewijsmogelijkheden geduid. Hetgeen zij wel aan ‘producties’ ingebracht heeft, is – in het licht van de pertinente betwisting zijdens [gedaagde] – volstrekt betekenisloos:

– Een pagina tekst van onbekende herkomst (althans uiterlijk) over ‘betalen in termijnen’, ongedateerd en niet gehecht aan een tot de persoon van de verwachte betaler herleidbaar document, noch in de tekst zelf aan die persoon gelinkt (‘Produktie’ 1).

– Een op briefpapier van deurwaarderskantoor ‘Rosmalen’ (…) zonder ook maar enige referentie aan een koper/consument/debiteur (Productie 2).

– Een volledig geanonimiseerde, ongedateerde en op de relevante delen oningevuld gelaten ‘7 dagen’-brief van Wehkamp, kennelijk uit het eigen modellenbestand gevist (Productie 3).

– Een dito ‘3 dagen’-brief van Wehkamp (Productie 4).

– Een wederom op briefpapier van deurwaarderskantoor ‘Rosmalen’ geprint overzicht, nu van een niet tot enige persoon als ‘debiteur’ en zelfs niet tot de betrokken schuldeiser te herleiden overzicht van (incasso)activiteiten in de jaren 2012 tot en met 2014 (Productie 5).

Hoe Intrum van mening zou kunnen zijn hiermee een fundament te kunnen leggen onder een vordering die gericht is tegen een nergens in de opgesomde feiten noch in de overgelegde stukken voorkomend individu ([gedaagde]), dat (die) zelf zegt niets op afbetaling bij Wehkamp B.V. gekocht te hebben en die daarmee tevens betwist krediet van Wehkamp Finance B.V. opgenomen te hebben dat hem tot terugbetaling (met rente) verplicht, blijft in nevelen gehuld. Wegens een zo evidente schending van haar gemotiveerde stelplicht en van haar verplichting zo veel mogelijk te substantiëren en bewijs(mogelijkheden) aan te dragen, zal aan Intrum geen revanchemogelijkheid in de vorm van een tweede procesronde geboden worden. Het gaat immers niet aan dat een vermeend debiteur op zo gebrekkige wijze met een vordering geconfronteerd wordt, noch dat daarmee beslag gelegd wordt op middelen en tijd van rechter en procespartijen. Het ware aan Intrum geweest om eerst goed uit te zoeken of zij een deugdelijke vordering van Wehkamp overgenomen had en om die dan vervolgens op een voldragen manier aan de kantonrechter voor te leggen.

(…) Uit het gebrekkig verwoorde betoog van Intrum bij exploot van dagvaarding kan allerminst afgeleid worden dat Intrum rechten van welke aard en omvang dan ook tegen [gedaagde] geldend kan maken. Er lijkt zelfs geen licht vermoeden gewettigd dat [gedaagde] in november 2011 klant van Wehkamp geweest is. Wat er ook zij van de (eveneens) onvoldoende gemotiveerde en gespecificeerde nevenvordering, de afwijzing van de hoofdvordering brengt met zich dat Intrum in volle omvang in het ongelijk gesteld wordt. Dit ongelijk brengt op zijn beurt mee dat Intrum in de proceskosten verwezen wordt en dat zij aan [gedaagde] een op € 15,00 (half salaris gemachtigde ) te bepalen vergoeding van reis- en verletkosten dient te betalen.

De Rechtbank was woedend, zo blijkt onder meer uit de passage “Het gaat immers niet aan dat een vermeend debiteur op zo gebrekkige wijze met een vordering geconfronteerd wordt, noch dat daarmee beslag gelegd wordt op middelen en tijd van rechter en procespartijen.

Het is te hopen dat Intrum Justitia er iets van heeft geleerd.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Procesrecht, rechtspraak. Bookmark de permalink .

2 reacties op Incassobureau Intrum Justitia onderuit bij rechter: flodderwerk

  1. rudy zegt:

    Mijn vader krijgt al een tijd van intrum brieven en emails. Ze zijn de eerste aangifte kwijt en wilde die weer opnieuw. rommel daar. Mijn vader heeft al meer dan een jaar last. Van iemand die dingen doet onder zijn naam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s