Wwft-toezichthouder zat er naast met tuchtklacht tegen accountant

Het zorgelijke aan de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is dat de wet dreigt te ontaarden in mandarijnenwetenschap. Het risico is groot dat ondernemers het slachtoffer worden van ijverige overheidsdienaren met onvoldoende kennis van het vakgebied van de ondernemer, zeker als die overheidsdienaren beschikken over kennis ‘achteraf’. Zo bleek onlangs weer in een zaak tegen een accountant.

(Eerder besprak ik hier al een zaak tegen een kandidaat-notaris die volgens het Openbaar Ministerie ongebruikelijke transacties had moeten melden; een onjuiste opvatting zo vond de rechter.)

Valse facturen

In de zaak tegen de accountant was de toezichthouder, het Bureau Financieel Toezicht (BFT), van mening dat de accountant had moeten zien dat er frauduleuze facturen in de administratie zaten. Daarbij moet worden aangetekend dat het hier niet om een controle-opdracht ging.

Het BFT meende dat er rioollucht opsteeg uit bepaalde facturen die in de administratie van de klant van de accountant zaten. Het BFT wist dat de facturen vals waren omdat dit via strafrechtelijk onderzoek aan het licht was gekomen. De Accountantskamer beoordeelt de feiten en komt tot de conclusie dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat de accountant had moeten onderkennen dat de facturen die ten grondslag lagen aan de betalingen, vals waren.

Overwegingen Accountantskamer

Hierna volgen belangrijke overwegingen van de Accountantskamer, waarbij ‘klager’ BFT is en ‘betrokkene’ de accountant is:

4.4.1 De in deze zaak aan de orde zijnde door klager als ongebruikelijke transacties gekwalificeerde betalingen zijn betalingen die zijn verricht op basis van facturen die in het kader van projecten van de betreffende cliënten (die verband houden met door hen aangekochte percelen) aan die cliënten zijn gericht door onderscheiden rechtspersonen. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Accountantskamer gaat ervan uit dat deze betalingen transacties zijn in de zin van de Wwft, zoals die wet ten tijde van belang luidde. De omschrijvingen van de betalingen duiden bij zes van de zeven betalingen op een vergoeding voor bemiddeling. Bij het zevende geval gaat het volgens de omschrijving om een betaling op grond van een overeenkomst met een met name genoemde persoon.

4.4.2 Volgens klager is in het dossier van betrokkene geen “onderbouwing”aanwezig van de zeven betalingen. Naar de Accountantskamer begrijpt, bedoelt klager daarmee dat daaruit niet blijkt wat de grondslag is van de betaalde vergoedingen en evenmin waarvoor ze een tegenprestatie vormen. In de ogen van klager waren er veel signalen dat de facturen onregelmatigheden bevatten, te weten: de hoogte van de bedragen, de factuuromschrijving, het tijdstip van uitbetalen, de betrokkenheid van meer partijen en het ontbreken van professionele expertise van degenen die de werkzaamheden zouden hebben verricht. Klager heeft in deze zaak een vergelijking gemaakt met een landelijk bekende vastgoedfraudezaak waarbij tevens sprake was van projectontwikkeling. Daarin is (naar blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Haarlem, waarin de verdachte onder meer voor witwassen is veroordeeld) veelvuldig gebruik gemaakt van valse facturen. Daarbij zal, zo heeft klager daaraan toegevoegd, veelal sprake zijn van een aanleiding om te veronderstellen dat de transacties verband houden met witwassen, en daaruit volgt dat er een meldingsplicht op grond van de Wwft bestaat, aldus klager. In het zevende geval is daarnaast opmerkelijk, aldus klager, dat de “aanbrengfee” ten behoeve van degene met wie de overeenkomst is gesloten, is overgemaakt naar de bankrekening van een ander. Dit kan volgens klager duiden op belastingfraude en het vermoeden daarvan moet op grond van de Wwft gemeld worden. Subsidiair moet deze “aanbrengfee” gezien worden als onderdeel van de verkoopopbrengst, waarover ook overdrachtsbelasting geheven had moeten worden, en ook dat rechtvaardigt het vermoeden van belastingfraude, aldus klager.

4.4.3 Van de kant van betrokkene is naar voren gebracht dat haar van witwassen niets is gebleken en dat dit ook niet hoefde. De facturen waarom het gaat, waren in alle opzichten normale facturen, die niet zijn gebruikt om gelden wit te wassen. Daarvan zou alleen sprake zijn als de facturen “materieel of intellectueel” vals waren en dat is niet gesteld door klager. Beide cliënten zijn al vele jaren bezig als projectontwikkelaar. Zij plegen geen makelaars in te schakelen. De betalingen in kwestie zijn verricht aan personen die “rechten/belangen” hebben bij onroerende zaken die de cliënten wilden verwerven. Met de betalingen is het verwachte ontwikkelingsvolume afgekocht. Dat houdt geen enkel verband met de aankoopprijs maar met de verwachte waarde van het ontwikkelde project, nadat het gereedgekomen is. De betreffende vastgoedtransacties zijn bovendien gedaan in een tijd dat de vastgoedmarkt ‘booming’ was.

4.4.4 De Accountantskamer stelt vast dat in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft als subjectieve indicator voor vermoedelijke witwastransacties is opgenomen: Transacties waarbij de meldingsplichtige aanleiding heeft om te veronderstellen dat ze verband houden met witwassen of financiering van terrorisme. In de toelichting op de bijlage is over deze indicator vermeld: “De instelling zal zich derhalve moeten buigen over de vraag of een bepaalde transactie wellicht melding behoeft omdat er mogelijk sprake is van witwassen (…)”.

4.4.5 De signalen waarop klager het oog heeft (vermeld onder 4.4.2) hadden naar het oordeel van de Accountantskamer, mede in het licht van de (onbestreden) verweren van betrokkene, voor betrokkene geen aanleiding hoeven zijn om te veronderstellen dat de onderhavige zeven transacties verband hielden met witwassen. Dat de betreffende betalingen zijn gedaan als vergoeding voor bemiddeling bij het aankopen van percelen aan personen die geen makelaar of professionele bemiddelaar zijn, dat die betalingen zijn gedaan aan meer partijen en op andere momenten dan ten tijde van de aankopen, vormt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen reden om de betalingen als ongebruikelijk aan te merken. Dat de betaalde vergoedingen veel hoger liggen dan de gebruikelijke courtages van bedrijfsmakelaars maakt dat niet anders. Het betalen van de “aanbrengfee” in twee gedeelten (in het zevende geval) aan een ander dan de aanbrenger (volgens betrokkene diens schoondochter) evenmin. Daarom zijn er ook onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat betrokkene had moeten onderkennen dat de facturen die ten grondslag liggen aan de betalingen, vals waren.

Slotopmerking

De praktijk is dat een aantal discussies tussen toezichthouder en ondernemer nooit bij de rechter komen, omdat de ondernemer het niet aandurft tegen de overheid (AFM, DNB en dergelijke) in te gaan. Met als gevolg dat toezichthouders in sommige gevallen ongestraft door kunnen gaan met onjuiste interpretaties.

 

Meer informatie

Aanvulling 19 mei 2015

Deze zaak wordt ook op accountant.nl besproken onder de titel “Fraudesignalen te zwak om te melden”.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Fraude, witwasbestrijding, Wwft en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s