Geschiktheidstoetsing bij casino’s

Niet alleen in de financiële sector worden ‘beleidsbepalers’ op geschiktheid getoetst. In het kader van de nieuwe regelgeving over casino’s wordt ook in die regelgeving een systeem van geschiktheidstoetsing geïntroduceerd, zo blijkt uit een wetgevingsconsultatie. Aan het casino (de vergunninghouder) en de daarbij betrokken personen worden betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen gesteld. De betrouwbaarheidseisen hebben betrekking op:

  • het casino (de vergunninghouder), waarbij ik me afvraag in hoeverre een rechtspersoon “betrouwbaar” kan zijn;
  • personen die het beleid (mede) bepalen;
  • de uiteindelijk belanghebbende (een in de Wet op de kansspelen niet gedefinieerd begrip).

Zoals gebruikelijk in dit soort regelgeving wordt het begrip (mede)beleidsbepaler niet toegelicht (zie over dat thema mijn artikel uit 2012).

Het casino dient volgens het voorstel een adequaat beleid te voeren ter waarborging van de betrouwbaarheid van:

  • leidinggevenden;
  • personen op sleutelposities;
  • personen die bij het organiseren een speelcasino met spelers in aanraking komen.

Uit de toelichting blijkt dat daar waar mogelijk wordt aangesloten bij de vereisten die op grond van hoofdstuk 2 van het Besluit prudentiële regels Wft aan internationaal opererende financiële instellingen worden gesteld. De opstellers van de concepten verwacht dat de kansspelautoriteit hierdoor kan aansluiten bij de expertise en ervaringen van de toezichthouder op grond van de Wet op het financieel toezicht.

Tendens

Het is niet voor niets dat aan personen betrokken bij casino’s dit soort eisen worden gesteld. Maar het illustreert ook een algemene tendens, waarbij de vraag is of een en ander tot verbeterde kwaliteit van beleidsbepalers en betrokkenen bij ondernemingen en instellingen leidt.

Een hogere betrouwbaarheid en deskundigheid in andere sectoren, zoals politiek en ambtenarij lijkt eveneens wenselijk. Zo kan voor zover ik weet iedereen kamerlid worden; aan hen worden geen betrouwbaarheids- of deskundigheidseisen gesteld.

Het is een issue wie de toetsingen uitvoeren, zo constateerden recent E. Toorn en J.G.C.M. Galle in een artikel voor het Tijdschrift voor Jaarrekeningenrecht. Uit onderzoek blijkt dat het de toetsende toezichthouders in de financiële sector aan senioriteit ontbrak. De auteurs schrijven: “Zo rijst de vraag of ‘juniore’ toezichthouders in staat waren/zijn om de geschiktheid van de commissarissen bij de grootste banken en verzekeraars – bij uitstek personen met een lange staat van dienst en aldus waarschijnlijk ervaring met en kennis van de financiële sector – te beoordelen.“.

Casino’s: betrouwbaarheid en deskundigheid in het voorstel

In het consultatievoorstel staat het als volgt omschreven:

Artikel 27n (betrouwbaarheid)
1. De betrouwbaarheid van de houder van de vergunning, bedoeld in artikel 27h, eerste lid, van de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen en van zijn uiteindelijke belanghebbende staat buiten twijfel.
2. De vergunninghouder voert een adequaat beleid dat strekt tot waarborging van de betrouwbaarheid van leidinggevenden, van personen op sleutelposities en van personen die bij het organiseren een speelcasino met spelers in aanraking komen.
3. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4. Voordat de aanvraag tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 27h, eerste lid, wordt afgewezen of een dergelijke vergunning wordt geschorst of ingetrokken, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van de vergunninghouder en een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij worden betrokken.

Artikel 27o (deskundigheid)
1. Het beleid van de houder van de vergunning, bedoeld in artikel 27h, eerste lid, wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de verantwoorde, betrouwbare en controleerbare organisatie van een speelcasino.
2. De vergunninghouder draagt zorg voor passende deskundigheid van de leidinggevenden, van de personen op sleutelposities en van de personen die bij het organiseren van een speelcasino met spelers in aanraking komen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Casino’s: toelichting op betrouwbaarheidseisen

In de toelichting op het voorstel staat:

Betrouwbare en deskundige vergunninghouders
De betrouwbaarheid van de vergunninghouder en van degenen die zijn beleid bepalen of medebepalen, dient buiten twijfel te staan. De wijze waarop die betrouwbaarheid wordt vastgesteld en de feiten en omstandigheden die daarbij worden betrokken, worden nader uitgewerkt in de lagere regelgeving. De aanbieder die voor een vergunning in aanmerking wil komen, moet aantonen dat zijn betrouwbaarheid buiten twijfel verheven is, onder meer aan de hand van een verklaring omtrent het gedrag, of indien het een buitenlandse vennootschap betreft, een soortgelijk document waaruit blijkt dat hij geen relevante antecedenten heeft. De kansspelautoriteit kan ook gebruik maken van de mogelijkheden die de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) biedt. Ten aanzien van buitenlandse aanvragers is de effectiviteit hiervan uiteraard grotendeels afhankelijk van de mate waarin gegevens door het buitenland wordt verstrekt. De bewijslast met betrekking tot de betrouwbaarheid ligt dan ook bij de betrokken aanbieder.
Voorts dient de vergunninghouder ervoor zorg te dragen dat hij betrouwbaar en deskundig personeel (op sleutelposities) in dienst neemt en houdt. De desbetreffende medewerkers zullen daarom (periodiek) aan een betrouwbaarheidstoets moeten worden onderworpen. Hierbij moet worden gedacht aan het opvragen van een verklaring omtrent het gedrag en het – bij de aanstelling – inwinnen van referenties. Deskundigheid dient niet alleen aanwezig te zijn met betrekking tot de aangeboden kansspelen maar ook ten aanzien van de uitvoering van de op vergunninghouder rustende zorgplicht om onmatige deelneming aan kansspelen zoveel mogelijk te voorkomen. (…)

Artikel 27n (betrouwbaarheid)
Het voorgestelde artikel 27n stelt eisen aan de betrouwbaarheid van de vergunninghouder en de bij de organisatie van het speelcasino betrokken personen.

Eerste lid
Zowel de spelers in speelcasino’s als de overheid moeten kunnen vertrouwen op de integriteit van de vergunninghouder en de bij de organisatie van het speelcasino betrokken personen. De betrouwbaarheid van de vergunninghouder, van degenen die bij het organiseren van speelcasino’s betrokken zijn en van de uiteindelijk belanghebbende, moet daarom redelijkerwijs buiten twijfel staan. De bewijslast voor de betrouwbaarheid ligt bij degene die in aanmerking wil komen voor een kansspelvergunning. In dit opzicht is aansluiting bij de betrouwbaarheidsbeoordeling op grond van de Wet op het financieel toezicht.

Tweede lid
Aangezien de vergunninghouder een rechtspersoon is, wordt zijn betrouwbaarheid mede bepaald door die van de bij zijn organisatie betrokken personen. Daarbij gaat het met name om bestuurders, managers en werknemers wier rol in de organisatie van invloed kan zijn op de betrouwbaarheid van de vergunninghouder. Zo is effectieve verslavingspreventie en detectie van fraude afhankelijk van de integriteit van de daarmee belaste werknemers.
Het tweede lid voorziet om deze reden in een verplichting voor de vergunninghouder om een adequaat beleid te voeren met betrekking tot de waarborging van de interne betrouwbaarheid. Hierbij wordt gedacht aan organisatorische regels en procedures die binnen de organisatie van de vergunninghouder de betrouwbaarheid van het personeel en andere bij de organisatie van het speelcasino betrokken personen voortdurend bewaken. Het gaat hierbij om leidinggevenden die invloed op andere betrokkenen kunnen uitoefenen, om personen op sleutelposities die zich functioneel in een positie bevinden waarin zij een beduidend verschil kunnen maken voor de betrouwbaarheid van de vergunninghouder en om personen die bij het organiseren van een speelcasino met spelers in aanraking komen, zoals croupiers. In lagere regelgeving wordt dit verder uitgewerkt.

Derde lid en vierde lid
In het derde lid wordt verdere invulling gegeven aan het eerste lid. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de (potentiële) vergunninghouder, van de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen en van de uiteindelijk belanghebbende, kan de kansspelautoriteit in ieder geval gebruik maken van het instrumentarium van de Wet Bibob. In de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob is reeds geregeld dat dit instrumentarium kan worden toegepast in de speelautomatensector. Ook de sector van speelcasino’s is gevoelig voor misbruik voor criminele doeleinden en witwaspraktijken. Een kansspelaanbieder in de speelautomatensector die op grond van het Bibob- instrumentarium geen vergunning krijgt, kan om op dezelfde grond uiteraard ook geen vergunning krijgen voor het aanbieden van een speelcasino.

Vijfde lid
In de lagere regelgeving worden nadere regels gesteld met betrekking tot de betrouwbaarheid van de (potentiële) vergunninghouder en de bij zijn organisatie betrokken personen. Daarbij wordt waar mogelijk aangesloten bij de vereisten die op grond van hoofdstuk 2 van het Besluit prudentiële regels Wft aan internationaal opererende financiële instellingen worden gesteld. Hierdoor kan de kansspelautoriteit aansluiten bij de expertise en ervaringen van de toezichthouder op grond van de Wet op het financieel toezicht.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de vergunninghouder wordt, naast overtredingen van (Nederlandse of buitenlandse) kansspelregelgeving, rekening gehouden met een breed scala aan strafrechtelijke antecedenten, toezichtantecedenten, financiële antecedenten, fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten en overige antecedenten. Ook wordt in aanmerking genomen de mate waarin de vergunninghouder heeft voldaan aan zijn financiële verplichtingen uit bestuurlijke sancties, de kansspelheffing en de kansspelbelasting. De aanbieder moet onder meer een verklaring omtrent het gedrag of indien het een buitenlandse aanbieder betreft een soortgelijk document overleggen waaruit blijkt dat hij geen relevante antecedenten heeft.

Meer informatie

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s