Belastingdienst vordert schadevergoeding van belastingadviseur inzake verjaarde belastingschulden van een derde (uitspraak Hoge Raad)

Op 15 februari 2011 heeft het Gerechtshof Amsterdam een vordering van de belastingdienst gericht tegen een een belastingadviseur toegewezen. De vordering betrof niet-betaalde belastingschulden van een derde. De belastingadviseur ging in cassatie en de uitspraak van de Hoge Raad van vandaag, werd ook onlangs op rechtspraak.nl geplaatst. De Hoge Raad bevestigt dat de Ontvanger langs privaatrechtelijke weg schade kan verhalen nadat het recht op dwanginvordering van de belastingschulden is verjaard. De Hoge Raad vat de feiten als volgt samen:

Zeer kort samengevat gaat het om het volgende.
(i) [eiser] is belastingadviseur. Hij is strafrechtelijk veroordeeld in verband met zijn betrokkenheid – samen met anderen – bij transacties waarin kasgelden van vennootschappen zijn overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen. Daarbij is door die vennootschappen verschuldigde vennootschapsbelasting onbetaald gebleven.
(ii) De Ontvanger heeft een gedeelte van de onbetaald gebleven vennootschapsbelasting kunnen verhalen door aansprakelijkstelling van een bank. Volgens de Ontvanger staat nog een schuld open van € 17.976.767,–.

De Hoge Raad verwerpt de bezwaren van de belastingadviseur. Over het gebruik van het civiele recht door de belastingdienst, zegt de Raad het volgende:

3.5 Het in art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 neergelegde “open systeem” houdt in dat de Ontvanger vrij is in de keuze van de middelen die hij aanwendt om belastingschulden in te vorderen. Dat betekent dat hij tegenover de belastingschuldenaar ook de privaatrechtelijke bevoegdheden mag uitoefenen die hij ontleent aan zijn positie van schuldeiser.
Zijn keuzevrijheid wordt slechts begrensd door het bepaalde in de Leidraad Invordering 1990 en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102 (Van Maarseveen c.s./Ontvanger), is geoordeeld dat de bevoegdheden van een schuldeiser – en dus ook van de Ontvanger – zich mede uitstrekken tot maatregelen om tegen verkorting van zijn verhaalsrecht op te komen. Het stelsel van art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 laat derhalve toe dat de Ontvanger schadevergoeding vordert van een derde zoals [eiser] op de grond dat deze derde onrechtmatig de invordering van belastingschulden heeft verhinderd. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt voor het thans geldende art. 4:124 Awb (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.19).

3.6 Art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 – en thans art. 4:124 Awb – brengt niet mee dat voor de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden door de Ontvanger andere regels gelden dan uit het privaatrecht voortvloeien (vgl. ook de passage uit de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). Dit betekent dat voor een door de Ontvanger ingestelde vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad – tegen de belastingschuldige of tegen een derde als [eiser] – de verjaringsregels van het Burgerlijk Wetboek gelden (art. 3:306 e.v. BW).

3.7.1 Uit de Leidraad Invordering 1990 kan evenwel voortvloeien dat de Ontvanger zijn privaatrechtelijke bevoegdheden niet onverkort mag uitoefenen. Het middel doet in dit verband een beroep op art. 27 § 1 van die Leidraad. Deze bepaling bevatte inzake de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden nadat het recht tot dwanginvordering is verjaard, het volgende voorschrift:

“Artikel 27 van de wet bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die belastingaanslag geheel invorderbaar is dan wel, als dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging terzake van die belastingaanslag aan de belastingschuldige is betekend. Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke gevallen de verjaring wordt geschorst. Alhoewel artikel 27 invordering door middel van een dagvaarding na verloop van de in dat artikel genoemde termijn onverlet laat wordt van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt wanneer de in artikel 27 genoemde verjaring is ingetreden.”

Uit zijn bewoordingen volgt dat dit voorschrift ziet op de situatie dat de Ontvanger langs privaatrechtelijke weg belasting invordert. Dit vindt bevestiging in de parlementaire stukken waarin het voorschrift werd aangekondigd, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.22. Het voorschrift ziet derhalve niet op een situatie als de onderhavige, waarin de Ontvanger van een ander dan de belastingschuldenaar schadevergoeding vordert wegens een door deze gepleegde onrechtmatige daad, bestaande in het belemmeren van verhaal voor de belastingschuld.

3.7.2 Het bovenstaande brengt mee dat het middel ook tevergeefs een beroep doet op art. 27 § 2 van de Leidraad Invordering 1990, waarin was bepaald:
“Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechtelijke bepaling voor de belasting aansprakelijk is gesteld, is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring, maar is uitsluitend van belang of ten aanzien van de belastingschuldige van verjaring sprake is.”
Uit de passage luidende “is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring” blijkt immers dat ook dit voorschrift betrekking heeft op de invordering van de daadwerkelijke belastingschuld – met de bij die schuld behorende verjaringsregels – en dus niet op een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tot schadevergoeding als voormeld.

Ook de beginselen van behoorlijk bestuur staan niet in de weg aan de inzet van het civiele recht:

3.8 Er is evenmin grond voor het oordeel dat beginselen van behoorlijk bestuur steeds meebrengen dat de Ontvanger geen vordering als de onderhavige mag instellen (of een reeds aangevangen procedure moet staken) na verjaring van de belastingschuld waarvan het verhaal onrechtmatig is verhinderd. Weliswaar volgt uit art. 3 § 1 Leidraad Invordering 1990 dat de Ontvanger bij zijn keuze voor gebruikmaking van civielrechtelijke bevoegdheden in plaats van fiscale bevoegdheden het belang van de invordering moet afwegen tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden, maar daaruit volgt nog niet dat de belangen van zodanige derden steeds moeten worden ontzien. Ook overigens valt niet in te zien waarom enig beginsel van behoorlijk bestuur zou meebrengen dat de Ontvanger steeds of in beginsel gehouden is de belangen te ontzien van derden die door onrechtmatig handelen zijn verhaal hebben belemmerd. Wat betreft een verjaringskwestie als de onderhavige verdient daarbij nog opmerking dat de identiteit van zodanige derden langdurig voor de Ontvanger verborgen kan zijn gebleven. Dit maakt het temeer gerechtvaardigd om tot uitgangspunt te nemen dat de Ontvanger zijn bevoegdheid tot verhaal van schade kan uitoefenen totdat de rechtsvordering volgens art. 3:310 BW is verjaard.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Belastingrecht, Bestuursrecht, Contractenrecht, privaatrecht algemeen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s