“Naming & shaming” gaat in Nederland een hoge vlucht nemen

In het nieuwsbericht van 21 februari laat de rijksoverheid weten dat “naming & shaming” op grote schaal in Nederland zal worden geïntroduceerd. Men begint met de overtreders van milieuregelgeving en regelgeving gevaarlijke stoffen. Het plan is om daarna bedrijven bekend te maken die zich schuldig maken aan onderbetaling of illegale tewerkstelling.

Bestuurlijke sanctie

Over het verschijnsel van “naming & shaming” is het nodige te zeggen. Het is een bestuurlijke sanctie (een “straf”) die door de overheid kan worden opgelegd zonder tussenkomst van de rechter. Als eenmaal openbaar is dat een onderneming de wet zou hebben overtreden, kan dit in onze digitale tijd niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat betekent dat de oplegging van een dergelijke sanctie zorgvuldig dient te worden voorbereid. Ik meen dat er ook een rechterlijke toetsing vooraf nodig is, om te voorkomen dat de overheid in het enthousiasme “spierballen” te tonen onzorgvuldig handelt.

Op dit moment is nog geen sprake van een goed systeem van rechtsbescherming tegen naming & shaming besluiten van de overheid. Soms maken overheden zich ook schuldig aan naming & shaming zonder wettelijke grondslag, zoals onder meer blijkt uit dit bericht over de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Nieuwsbericht naming & shaming

Hierna het bericht:

Gegevens gecontroleerde bedrijven stapsgewijs openbaar
Nieuwsbericht | 21-02-2014

De Inspectie SZW gaat de inspectiegegevens van individuele bedrijven stapsgewijs meer openbaar maken. Doel hiervan is om volledige en betrouwbare informatie over controles te bieden. De ministerraad heeft hiermee ingestemd op voorstel van minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In eerste instantie gaat het om overtredingen waar milieu-informatie een rol speelt, zoals bij bedrijven die asbestregels overtreden. Ook meer gegevens over controles bij bedrijven die vallen onder het Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO) worden openbaar. Dit zijn ondernemingen die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Hierin heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu het voortouw. De Inspectie SZW verwacht in het tweede kwartaal van 2014 te beginnen met het openbaar maken van deze gegevens.

In de toekomst wil het kabinet dat ook bedrijven die zich bijvoorbeeld schuldig maken aan onderbetaling of illegale tewerkstelling met naam en toenaam bekend worden gemaakt. Dit plan wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de aanpak van schijnconstructies dat in de loop van 2014 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Zie over dit onderwerp ook de brief van de minister van 21 februari 2014.

Aanvulling 7 maart 2014
Dat dit een trend is wordt ook geïllustreerd door de discussie naar aanleiding van een AFM-rapport. Peter Verhaar schreef in een column voor BNR dat de namen wel in het rapport mogen. De AFM zelf is ook niet bang voor discussie, zo blijkt uit een bericht op de site. De AFM laat weten er, net als de Nederlandsche Bank, bij het ministerie van Financiën op te hebben aangedrongen dat geheimhoudingsplicht wordt beperkt. Daarop wordt weer gereageerd door Verhaar.

Deze uitlatingen illustreren dat het hoog tijd wordt dat alle vormen van naming & shaming structureel in het bestuursrecht worden aangepakt.

Onderstaand het bericht van de AFM:

“Een slecht AFM-rapport?”
05-03-2014

Afgelopen vrijdag heeft de AFM een rapport over de kwaliteit van beleggingsdienstverlening van enkele banken en beleggingsondernemingen gepubliceerd. In zijn column voor BNR plaatst Peter Verhaar hier twee kanttekeningen bij, waar wij graag op in gaan.

Waarom noemt de AFM niet man en paard? Door het achterwege laten van namen van de onderzochte ondernemingen snapt de consument niet wat hij met het rapport aan moet, aldus Verhaar. Daar zit natuurlijk iets in. Wij koppelen inderdaad geen namen aan de partijen waar het onderzoek is gedaan. Daar is echter een hele goede reden voor. Als toezichthouder heeft de AFM namelijk een geheimhoudingsplicht. Deze is vastgelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wft bepaalt dat alle vertrouwelijke gegevens en inlichtingen die de AFM door haar toezicht heeft verkregen, geheim zijn. Die mogen we dus ook niet opnemen in rapporten. Als we wel namen zouden noemen zouden we bovendien alleen een oordeel geven over partijen die onderzocht zijn, niet over de hele markt. En dan blijft het beeld onvolledig voor de consument.

Omdat het in sommige gevallen wel van belang kan zijn om namen te noemen, hebben wij er overigens, net als de Nederlandsche Bank, wel bij het ministerie van Financiën op aangedrongen om deze geheimhoudingsplicht te beperken.

Daarnaast meent Verhaar dat het onderzoek niet representatief is omdat gemiddeld 11 van de tienduizenden dossiers van de grote banken in het onderzoek zijn betrokken. Het aantal dossiers zegt alleen niet direct iets over de representativiteit. Uiteraard zijn de dossiers op zo’n manier gekozen dat ze wel representatief zijn voor de manier van werken binnen een bepaalde beleggingsonderneming. Ook hebben wij uitgebreid met de betrokken partijen gesproken. De AFM is dus niet op zoek gegaan naar de ‘slechte dossiers’.

Daar komt bij dat de banken en beleggingsondernemingen zelf ook erkennen dat de uitkomsten van het onderzoek wel degelijk een goed beeld geven. Zij hebben zelfs al toegezegd dat zij de kwaliteit van beleggingsdienstverlening zullen verbeteren. Dat gaat de klant echt helpen, die heeft geen belang bij een ranglijst, maar wel bij een gevoel dat op zijn minst de basis overal klopt.

Een aantal partijen heeft al verbetermaatregelen geïmplementeerd. De kwaliteit van de beleggingsdienstverlening is vanaf dit jaar nog belangrijker geworden, nu klanten rechtstreeks gaan betalen voor advies na invoering van het provisieverbod voor beleggingsondernemingen.

Net als Verhaar vinden wij het zeer wenselijk dat financiële ondernemingen zich verbonden verklaren aan de uitspraken van de geschillencommissie van het Kifid. Dit is alleen geen wettelijke verplichting. Wij vinden het daarom in het belang van de consument dat hij – van tevoren – weet of een financiële onderneming zich verbonden heeft verklaard aan de uitspraken van het Kifid als hij een dienst of een product van die onderneming afneemt.

Tim Mortelmans
Hoofd toezicht financiéle ondernemingen

Aanvulling 8 juli 2014
In Utrecht Law Review is een artikel van Juliette J.W. Pfaeltzer verschenen, met als titel “Naming and Shaming in Financial Market Regulations: A Violation of the Presumption of Innocence?“, het is via deze pagina te downloaden.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Bestuurlijke sancties, Bestuursrecht en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s