Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren

Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

  • “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
  • de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
  • bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
  • de bewijslast
  • de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
  • de cautie

Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:

5.3.6  Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.

Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Bestuurlijke boete, Bestuursrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Trustkantoren en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s