Niet alles is toegestaan bij de internationale sanctieregels | Hoge Raad 14 december 2012 over de Sanctieregeling Iran (kennisembargo)

Degenen die actief zijn in de internationale handel kunnen te maken krijgen met de internationale sanctieregels. De sanctieregels strekken heel ver, zodat een ondernemer die handelt met landen waarvoor de sanctieregels gelden, bijvoorbeeld in het in het Midden Oosten, zich daar terdege in moet verdiepen. De sanctieregels kunnen ook gevolgen hebben voor anderen dan ondernemers, bijvoorbeeld studenten.

Dat juridisch niet alles is toegestaan illustreert een uitspraak van de Hoge Raad van 14 december jl. Deze zaak is aanhangig gemaakt door een student, een promovendus en een hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft die allen zowel de Nederlandse als Iraanse nationaliteit hebben, hierna “klagers”.

De zaak gaat over de vraag naar de verbindendheid van de Sanctieregeling ten aanzien van het zogenoemde kennisembargo tegen Iran [*]. De drie klagers maken bezwaar tegen de Sanctieregeling en vorderden onder meer dat aan de Staat een bevel wordt gegeven om de uitsluiting van mensen met een Iraans paspoort zoals opgenomen in de Sanctieregeling ongedaan te maken, en meer subsidiair voor recht te verklaren dat de Sanctieregeling jegens hen onrechtmatig is. Zij legden aan hun vorderingen ten grondslag dat de Sanctieregeling wegens discriminatie op grond van nationaliteit, ras en etniciteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in onder meer de Grondwet [**] Daarnaast is volgens hen sprake van schending van het recht op onderwijs [***].

Het gerechtshof heeft in het geschil tussen klagers en de Nederlandse staat geoordeeld dat het onderscheid zoals dat in de Sanctieregeling, ook na de wijziging per 14 juli 201o, wordt gemaakt tussen personen met een Iraanse en personen met een andere nationaliteit ongeoorloofd is.

De Hoge Raad sluit zich daar in de uitspraak van 14 december jl. bij aan en overweegt onder meer:

3.8.2 Met dit betoog heeft de Staat niet aannemelijk gemaakt dat alles in het werk is gesteld om de op hem rustende internationale verplichtingen te harmoniseren. Ook anderszins is dat niet aannemelijk geworden. Zo bestaat onvoldoende inzicht in de beweegredenen van de Nederlandse wetgever om elders genomen maatregelen die niet berusten op een onderscheid tussen Iraanse en niet-Iraanse onderdanen, voor de uitvoering van Resolutie 1737 in Nederland ontoereikend, dan wel niet passend te achten. De Staat heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat en waarom een verbod op gespecialiseerde vorming of opleiding aan personen met de Iraanse nationaliteit, zoals in de Sanctieregeling neergelegd, een noodzakelijke en proportionele maatregel is om proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens te voorkomen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat dit verbod alle in Nederland woonachtige personen met de Iraanse nationaliteit treft.

Onvoldoende duidelijk is geworden waarom in dit verband niet is gekozen voor de mogelijkheid van een algemene screening van studenten die de desbetreffende opleidingen (willen) volgen. Inzicht in de mogelijkheden en de beperkingen daarvan, en met name in de afwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze om af te zien van de mogelijkheid daarvoor een wettelijke grondslag in het leven te roepen, en in de kosten die met de handhaving van een dergelijke screening gemoeid zouden zijn, is niet gegeven. Het door de Staat aangevoerde argument dat de gekozen maatregel niet noodzakelijk nadeliger is dan alternatieven, legt zonder toelichting onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het onmiskenbaar stigmatiserende effect van een discriminerende maatregel als de onderhavige.

3.9 De slotsom is dat de Staat door Resolutie 1737 niet werd verplicht om in de Sanctieregeling onderscheid te maken tussen Iraanse en niet-Iraanse onderdanen en dat niet aannemelijk is geworden dat de Staat bij de totstandkoming van die regeling alles in het werk heeft gesteld om het maken van dat onderscheid te voorkomen. De klachten van het middel stuiten daarop af.

[*] Kijk hier voor de huidige versie van de Sanctieregeling Iran.

De juridische grondslag is te vinden in Resolutie 1737 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 23 december 2006. Ter uitvoering van Resolutie 1737 heeft de Raad van de Europese Unie op 27 februari 2007 Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (hierna: het Gemeenschappelijk Standpunt) uitgebracht, waarvan art. 6 luidt:
De lidstaten nemen overeenkomstig hun nationale wetgeving de nodige maatregelen om te verhinderen dat, op hun grondgebied of door hun onderdanen, gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen wordt verstrekt, die bijdraagt aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.”

Op basis daarvan is in Nederland een Sanctieregeling Iran 2007 tot stand gekomen. Met ingang van 14 juli 2010 luiden de leden 1 en 2 van art. 2a als volgt:
1. Het is verboden om gespecialiseerde vorming of opleiding die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens te verstrekken aan Iraanse onderdanen, die niet beschikken over een met het oog op deze verstrekking door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende ontheffing of in afwijking van deze ontheffing verleende beperkingen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, strekt zich niet uit tot bacheloropleidingen, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2. Een ontheffing wordt geweigerd, indien de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het risico dat het aanbieden van de bedoelde vorming of opleiding aan de Iraanse onderdaan voor wie de ontheffing is bestemd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran, onaanvaardbaar groot acht.”

[**] Art. 1 Grondwet, art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, art. 26 van het internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) en art. 12 EG Verdrag (thans art. 18 VWEU).

[***] Art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM in verbinding met art. 14 EVRM.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Bestuursrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Internationale handel en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s