Virtuele trustkantoren in Nederland (beantwoording van vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2012)

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2012 (*) is ook de positie van trustkantoren aan de orde geweest, zie onderstaand citaat uit de Nota naar aanleiding van het verslag van 5 september 2011. Het betreft een verslag van gestelde vragen en de door de minister gegeven antwoorden.
Uit de Nota blijkt dat het “virtuele trustkantoor” (zie mijn bericht over dat onderwerp) nog steeds rondzwerft in de gedachten.

Wijziging van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt)

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot het marktaandeel van in het buitenland gevestigde trustkantoren is die in Nederland diensten aanbieden, maar niet onder DNB-toezicht staan.

De omvang van het marktaandeel valt niet te bepalen. In het evaluatierapport van de Wet toezicht trustkantoren is opgemerkt dat er een onbekend aantal kantoren vanuit het buitenland trustactiviteiten verricht in Nederland. De onmogelijkheid om het marktaandeel te bepalen komt door de onbekendheid van de overheid met deze kantoren. Het gebrek aan toezicht heeft onder meer tot gevolg dat er geen cijfers voorhanden zijn waaruit blijkt hoeveel cliënten ze in Nederland hebben en welke omzet gegenereerd wordt. Het wetsvoorstel heeft dan ook het doel om de bekendheid van de overheid met deze dienstverleners te vergroten.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie hoe DNB virtuele trustkantoren, die vanuit het buitenland op internet opereren, in de praktijk gaat aanpakken. Zij vragen daarbij of samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse toezichthouders voorzien in voldoende instrumenten om te handhaven.

De meeste kantoren opereren niet alleen via het internet. Internet wordt vaak gebruikt voor de communicatie, maar enige fysieke vertegenwoordiging of bemiddeling door een natuurlijke persoon is veruit de meest gangbare vorm voor het aanbieden van trustdiensten in Nederland zonder als trustkantoor in de zin van de Wtt te kwalificeren. Thans wordt vereist dat een trustkantoor een vestiging in Nederland heeft. Dat kan eenvoudig worden omzeild door niet vanuit een vestiging te werken maar bijvoorbeeld een vertegenwoordiger naar Nederland te sturen of met een natuurlijke persoon in Nederland samen te werken. De vertegenwoordiger maakt veelal contact met de klant. Daarbij is denkbaar dat de vertegenwoordiger een structuur voorstelt aan de klant die later door een gelieerd buitenlands trustkantoor wordt opgezet. De communicatie tussen vertegenwoordiger en trustkantoor loopt dan dikwijls via internet. Het wetsvoorstel beoogt om het aanbieden van trustdiensten in Nederland onder de vergunningplicht te brengen. Primair zal DNB gebruik maken van het in de Wtt aan haar toebedeelde handhavingsinstrumentarium. Waar nodig geacht – bijvoorbeeld in het kader van informatie uitwisseling – zal aanvullend samenwerking met buitenlandse autoriteiten worden gezocht. De samenwerking op andere terreinen is bemoedigend en er lijkt geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in onderhavig geval anders zal zijn.

Ook vragen de leden van de PvdA in dit kader op welke schaal dergelijke advisering over belastingontduiking en witwassen plaats vindt en sinds wanneer. Waarom is het niet eerder aangepakt? En in welke landen is het toezicht op trustkantoren van een gelijkwaardig niveau als in Nederland?

Ook hierbij geldt dat de exacte omvang van deze vorm van dienstverlening niet kan worden vastgesteld doordat er momenteel geen toezicht op deze kantoren plaatsvindt en zodoende geen kwantitatieve gegevens voorhanden zijn. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat niet onomstotelijk kan worden gesteld dat er op grote schaal advisering over belastingontduiking of witwassen plaatsvindt. In het evaluatierapport van de Wtt wordt aangegeven dat er een hoog risico is op dergelijke activiteiten en dat toezicht daarom een gerechtvaardigd en proportioneel middel is om deze sector in kaart te brengen en indien nodig te zuiveren.

De Wtt is 1 april 2004 in werking getreden en 5 jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd. In de memorie van toelichting bij de Wtt is al aangegeven dat de wet mede als doel heeft de sector in kaart te brengen. Bij de evaluatie van de Wtt is gebleken dat de huidige definitie van trustkantoor nog een flink aantal dienstverleners uitsluit. Duidelijk is dat deze vorm van dienstverlening naar zijn aard een groot risico oplevert voor witwassen en het ontduiken van de belastingplicht. De nieuwe definitie heeft grotendeels hetzelfde doel voor ogen als de introductie van de Wtt zelf, namelijk het in kaart brengen van een sector waar momenteel geen toezicht op rust. Daarbij kan worden opgemerkt dat Nederland het enige land is met een wet voor toezicht op trustkantoren. Andere landen stellen prudentiële vereisten aan trustkantoren, maar op anti-witwasgebied is doorgaans alleen de nationale implementatie van de Derde Witwasrichtlijn4 van toepassing. De Wtt gaat echter verder dan de Derde Witwasrichtlijn vereist en vraagt ondermeer dat trustkantoren een vergunning aanvragen en aanvullende maatregelen treffen om vast te stellen dat de doelvennootschappen die zij besturen niet worden misbruikt in een vennootschapsstructuur om de herkomst van geldstromen te verduisteren.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het voorstel om een vergunning verplicht te stellen voordat tot dienstverlening wordt overgegaan zich verhoudt tot bestaande grensoverschrijdende wetgeving op dit punt.

Het vrij verkeer van diensten wordt niet belemmerd door de voorgestelde wijzigingen. Het nieuwe artikel 2a van de Wtt biedt de toezichthouder de mogelijkheid om een trustkantoor vrijstelling te verlenen indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, bijvoorbeeld als het toezicht van het land waarin het trustkantoor gevestigd is van voldoende niveau is.

Voorts vragen de leden van het CDA de regering een inschatting te geven tot hoeveel meer vergunningen de wijziging kan leiden en hoe groot de verwachte baten versus de te verwachten extra inspanningen zijn voor toezichthouder DNB.

DNB zal nieuwe vergunningaanvragen kritisch beoordelen. Toen de Wtt werd ingevoerd hebben een aantal kantoren hun dienstverlening gestaakt of hebben zij geen vergunning van DNB gekregen. Het te verwachten aantal vergunningaanvragen is onduidelijk. De te verwachten extra inspanningen van de toezichthouder zullen aanvankelijk vooral liggen op het terrein van de vergunningaanvragen en de handhaving van illegaal opererende virtuele trustkantoren. Een exacte berekening van de te verwachte baten en extra inspanningen is op dit moment moeilijk te geven.

De leden van de SP-fractie verwelkomen het dat ook buitenlandse trustkantoren onder de reikwijdte zullen vallen van de Wtt. Deze leden stellen de vraag hoe na invoering van deze wet zal worden omgegaan met de «virtuele trustkantoren» uit het buitenland.

Indien deze «virtuele trustkantoren» actief zijn op de Nederlandse markt zullen zij een vergunning moeten aanvragen, dan wel een vrijstelling moeten verkrijgen. Zoals de regering hiervoor reeds heeft geantwoord op een vraag van de PvdA fractie zal vervolgens DNB primair gebruik maken van het in de Wtt aan haar toebedeelde handhavingsinstrumentarium. Het komt niet vaak voor dat dienstverlening louter via internet wordt aangeboden. Er is vaak fysiek contact tussen de klant en het trustkantoor, doorgaans via een vertegenwoordiger of bemiddelaar. De regering verwacht niet dat veel mensen geneigd zijn om alleen via internet in zee te gaan met een trustkantoor, aangezien de aard van de dienstverlening een grote van mate van vertrouwen vereist van de klant in het trustkantoor.

Voorts vragen de leden van de SP hoe kan worden voorkomen dat de «virtuele trustkantoren» hun werkzaamheden via internet doorzetten zonder het hebben van een Nederlandse vergunning.

Handelen zonder vergunning kan leiden tot een bestuurlijke boete of zelfs strafrechtelijke vervolging. In beide gevallen zal moeten worden samengewerkt met een buitenlandse toezichthouder of justitiële partij. Indien een trustkantoor tegen de verwachtingen van de regering in, in Nederland zal opereren zonder fysieke aanwezigheid in wat voor vorm dan ook, dan zal dit tot gevolg hebben dat de handhaving van de verbodsbepaling moeilijk uitvoerbaar wordt.

Ook hebben de leden van de SP de vraag gesteld aan welk soort dienstverrichting de regering denkt bij het voorstel om de mogelijkheid te houden uitzonderingen aan te kunnen wijzen van dienstverrichting door een trustkantoor.

Vrijstelling van de vergunningplicht is alleen denkbaar indien de dienstverlening zich naar aard en inhoud niet leent voor witwassen dan wel het versluieren van de herkomst van vermogen voor de Belastingdienst. De specifieke situatie van een trustkantoor moet in ieder geval van dien aard zijn dat haar onbelemmerde dienstverlening niet in strijd is met de belangen die de Wtt beoogt te beschermen. Het voorgestelde artikel 2a van de Wtt dient echter primair om het vrij verkeer van diensten niet te dwarsbomen indien daar geen billijke reden voor bestaat, bijvoorbeeld als het trustkantoor opereert vanuit een ander land waar het toezicht van voldoende kwaliteit is.

Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie wat de reden is voor het vervangen van de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht Trustkantoren en wat er inhoudelijk aan wordt aangepast.

Met de totstandkoming van de Wft is algemeen beleid geworden dat toezichthouderregels vervangen worden door ministeriële regels. Dit beleid was tot op heden nog niet toegepast voor de Wtt. De nieuwe ministeriële regeling zal grotendeels bestaan uit de regeling integere bedrijfsvoering zoals deze thans geldt. Vooralsnog zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. Wel zal onderzocht worden of mogelijke aanpassingen nodig zijn en zal de nieuwe regeling nog worden geconsulteerd.

Naar aanleiding van de evaluatie van de Wtt wordt de grens waarboven iemand wordt aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende verhoogd naar de in de Wwft gehanteerde 25%. Als argumentatie wordt aangevoerd dat er geen redenen zijn om een strenger nationaal regime voor trustkantoren in stand te houden dan in de richtlijn.

De leden van de SP-fractie vragen of het een beleid van deze regering is dat toezicht op de financiële sector niet strenger mag zijn dan het absolute minimum dat door een Europese richtlijn wordt voorgeschreven.

In reactie hierop merkt de regering allereerst op dat goed en streng toezicht op de financiële markten juist zeer evident is, vooral in deze roerige tijden. Hiervoor zet zij zich dan ook stevig in. Niettemin kunnen er in bepaalde gevallen redenen zijn om nationaal niet verder te gaan dan het minimum dat ingevolge een bepaalde Europese richtlijn voorgeschreven wordt. Dit dient echter wel van geval tot geval te worden beoordeeld. Ook betreft het vaak 1 op 1 implementatie van Europese regelgeving. Ook dient hierbij te worden opgemerkt dat, zoals ook bovenstaand reeds geschetst, Nederland het enige land is met specifiek toezicht op trustkantoren en ook voor die sector de grens van 25% voor uiteindelijk belanghebbende laat gelden.

De leden van de SP vragen hoe hoog deze drempel is in de ons omliggende landen en hoe wordt omgegaan met het voorbeeld waarbij een vijftal familieleden ieder een vijfde belang hebben in het vermogen en zodoende onder de drempel komen van 25%.

De grens verschilt per land en per sector. Overigens is de regelgeving voor trustkantoren niet op een richtlijn gebaseerd. De Wtt is een nationale wet. De Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) is gebaseerd op de Derde Witwasrichtlijn en geldt ook voor trustkantoren. Thans wordt gewerkt aan een aanpassing van de Wwft en zijn daar wel enkele aanpassingen in voorzien die verder gaan dan ingevolge de richtlijn noodzakelijk. Ook andere landen gaan in hun nationale wetgeving verder dan de richtlijn.

Het achterhalen van de uiteindelijk belanghebbende is een resultaatverplichting voor zover het gaat over de 25% norm. Echter er wordt van trustkantoren verwacht dat zij de zeggenschapsstructuur goed en volledig in kaart brengen. Indien vijf kinderen allemaal 20% van het uiteindelijke belang hebben, wordt van het trustkantoor verwacht dat zij dit opmerkt in het onderzoek naar de uiteindelijk belanghebbende en dit vervolgens betrekt in het risicoprofiel dat dient te worden opgesteld. In bovengenoemd voorbeeld zou het reëel zijn om te kijken naar de familie van de belanghebbenden en te bezien of de ouders niet strikt genomen als uiteindelijk belanghebbenden dienen te worden aangemerkt.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe is omgegaan met de aanbeveling in de evaluatie van de Wtt om het toezichtinstrumentarium van DNB uit te breiden, naar aanleiding van de constatering dat een groot aantal beroepsgroepen structureel of incidenteel trustdiensten verlenen in aanvulling op de diensten die zij aanbieden uit hoofde van hun primaire dienstverlening.

DNB heeft extra bevoegdheden gekregen in de artikelen 24 en 25. DNB kan voortaan een aanwijzing geven die zich richt op het ordentelijk afbouwen van de trustdienstverlening door aanverwante beroepsgroepen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het relevant vindt dat de activiteiten van buitenlandse deelnemingen van Nederlandse doelvennootschappen bekend zijn bij het trustkantoor. Ook vragen zij hoe wordt omgegaan met het probleem dat de risico’s van deze activiteiten en geldstromen vaak nauwelijks bekend zijn en of het klopt het dat de Nederlandse toezichthouder niet meer kan zien dan gelden die via de doelvennootschap van en naar een buitenlandse deelneming stromen.

De activiteiten van buitenlandse deelnemingen van Nederlandse doelvennootschappen vormen een belangrijk onderdeel van de inschatting van de integriteitrisico’s die een trustkantoor dient te maken. Ook overige van belang zijnde factoren dienen daarbij overigens te worden betrokken, zoals het land van vestiging van de deelneming, doel van de structuur en de geldstromen die plaatsvinden van en naar de deelneming vanuit de doelvennootschap. Alleen op die wijze is het trustkantoor in staat om een volledige en adequate inschatting te maken van de relevante risico’s.

Een trustkantoor dient de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap te monitoren. Bij de inschatting van de integriteitrisico’s verbonden aan de doelvennootschap dient zij de relevante delen van de structuur, waaronder de deelnemingen, te betrekken. Dit is bepaald in artikel 13 en 14 van de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren.

Of het klopt dat de Nederlandse toezichthouder niet meer kan zien dan gelden die via de doelvennootschap van en naar een buitenlandse deelneming stromen is afhankelijk van de bij het trustkantoor aanwezige informatie. De bij het trustkantoor aanwezig informatie is afhankelijk van de gemaakte inschatting van de integriteitrisico’s bij de doelvennootschap.

(*) Bron: Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2012), K. 32 781, Nr. 7 Nota naar aanleiding van het verslag

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Belastingrecht, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Virtuele trustkantoren in Nederland (beantwoording van vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2012)

  1. Rogier zegt:

    Het is bijzonder dat vanuit de (outbound) tax planners (belastingadviseurs in Nederland met belastingadviezen gericht op Nederlandse ingezetenen waarbij buitenlandse rechtspersonen worden gebruikt) geen enkel kritisch geluid is te horen. Noch van de grote advieskantoren noch van de kleine, noch van de overkoepelende organisaties zoals de NOB.
    Het kan toch niet zo zijn dat een adviseur op de Amsterdamse Zuid-as die een Amerikaan adviseert een Nederlandse BV te gebruiken zonder daarmee de nieuwe verbodsbepaling in de Wtt (2.0) te overtreden terwijl zijn collega op de hoek die een Nederlandse Dga adviseert om een Luxemburg/ BVI off shore route buiten de EU op te zetten en dan wel tegen een verbodsbepaling op zal lopen?
    Daarbij zou DNB dan ook nog eens die aanbieder of dat kantoor onder curatele kunnen stellen?
    Zien de advieskantoren dan helemaal geen beren op de weg?

  2. De definitieve wettekst is zo gewijzigd dat bovenstaande opmerkingen niet meer relevant zijn. Advisering vanuit Nederland zal niet snel onder de vergunningplicht vallen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s