Het legaliteitsbeginsel in het huidige recht (naar aanleiding van de vergadering van de Nederlandse Juristenvereniging, NJV)

De komende NJV vergadering (10 juni 2011) heeft een interessant onderwerp: het legaliteitsbeginsel.

Nu op meerdere rechtsgebieden, onder meer het financiële toezichtrecht, veelvuldig met open normen wordt gewerkt, die vervolgens door toezichthouders als DNB en AFM worden geïnterpreteerd, rijst steeds vaker de vraag of je als burger / ondernemer wel voldoende weet om “de wet” goed te kunnen nakomen. Ik ben benieuwd wat de preadviseurs hierover schrijven.

De NJV schrijft in de samenvatting op haar website:

“Het legaliteitsbeginsel is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het waarborgt rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming (geen straf of ingrijpen zonder wettelijke grondslag) en het betrekt rechtsgenoten bij de rechtsvorming, waardoor het bijdraagt aan de legitimiteit daarvan. Een rustig bezit is het beginsel niet: het geeft voor de verschillende rechtsgebieden aanleiding tot discussies.

In het staats- en – met name – het bestuursrecht is de functie van het beginsel de afgelopen jaren gerelativeerd. De eis dat iedere vorm van overheidsoptreden een wettelijke grondslag heeft, wordt daar soms gezien als doelloos en achterhaald. Het legaliteitsbeginsel zou de doeltreffendheid van overheidsbestuur in gevaar brengen. Zoals blijkt uit het preadvies van Wim Voermans miskent deze kritiek dat de functie van het legaliteitsbeginsel de afgelopen anderhalve eeuw is veranderd. Waar het legaliteitsbeginsel in de negentiende eeuw vooral een juridische, constitutionele betekenis had voor de rechtsvorming (wie mag de normen stellen?, hoe verhouden de staatsmachten zich daarbij tot elkaar?) zien we tegenwoordig dat het legaliteitsbeginsel bij de rechtsvorming ook een legitimerende betekenis heeft doordat het een democratische, politieke en communicatieve functie heeft. Door deze functieverschuiving is het legaliteitsbeginsel bijzonder actueel. Het is bijvoorbeeld van belang voor de beantwoording van de vraag in hoeverre internationaal en EU-recht voldoende wettelijke basis bieden voor Nederlands overheidsoptreden en voor het achterhalen van de ruimte voor rechterlijke rechtsvorming.

In het strafrecht heeft het legaliteitsbeginsel nog altijd een hecht fundament in het Wetboek van Strafrecht en de Grondwet. De strafrechtspraak laat desondanks zien dat het legaliteitsbeginsel – in tegenstelling tot de situatie in het bestuursrecht – niet als strak keurslijf wordt ervaren. Vaag, ruim of open geformuleerde normen zijn voor de strafrechter een gegeven. Hij beschouwt het zonder reserves als zijn taak om die normen verder in te vullen en kiest daarbij niet automatisch voor een beperkte of terughoudende invulling. Bij de invulling en de toepassing van de normen lijkt de rechtszekerheid van de burger een betrekkelijk geringe rol te spelen. Bij die stand van zaken rijst de vraag – die in het preadvies van Matthias Borgers centraal staat – op welke wijze in het strafrecht wetgever en rechter met elkaar dienen om te gaan, teneinde te voorkomen dat de realisatie van de waarden die het legaliteitsbeginsel in het strafrecht beoogt te beschermen – rechtszekerheid, voorzienbaarheid en rechtsbescherming – in het gedrag komt.

Hoe belangrijk zijn rechtszekerheid en voorzienbaarheid in het burgerlijke recht? Bij de beantwoording van die vraag speelt de wijze waarop de rechter open normen invult een prominente rol. De in de arresten Lindenbaum/Cohen, Natronloog en hangmat geconcretiseerde normen waren van tevoren niet kenbaar. Zij lijken hun legitimiteit te ontlenen aan de acceptatie achteraf van de argumenten waarop het oordeel berust. Deze argumenten zijn wel vertrouwd en bieden de rechtsgenoten zekerheid omdat zij gedurende lange tijd, in samenhang met het privaatrechtelijke systeem en de maatschappelijke ontwikkelingen, zijn verfijnd en uitgekristalliseerd. Bekende en vertrouwde argumenten zijn, zo laat het preadvies van Carla Sieburgh zien, in veel mindere mate voorhanden als het recht van nationale origine geconfronteerd wordt met de eisen die het Europese recht daaraan stelt. Blijkens klassieke arresten van het Hof van Justitie als Courage/Crehan, Viking, Laval en Mangold heeft het Europese recht ingrijpende gevolgen voor de privaatrechtrechtelijke rechtsvorming. Het waarborgen van de legitimiteit van die rechtsvorming vraagt om een nieuwe benadering die de communicatie tussen de beide lagen van recht bevordert. Dat kan door relevante verschillen te belichten en de gevolgen van de onderlinge confrontatie door te rekenen.”

Meer informatie:

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Bestuursrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Juridisch diversen, Trustkantoren en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s